Slapeloosheid
en/nl

Dag en nacht viel Gilgamesj de jonge mannen en vrouwen van Uruk lastig. Hij kon niet slapen, zijn hart was rusteloos, zelfs als hij droomde droomde hij met ogen open. Aangekomen aan het einde van de wereld of de nacht, werd hij van deze slapeloosheid bevrijd door Utnapisjtim (onze Noah), die hem uitdaagde om zes dagen en zeven nachten wakker te blijven. Onmiddelijk viel hij in een slaap zo diep en droomloos dat toen Utnapisjtim hem zes dagen en zeven nachten later met een lichte aanraking (en niet met een kus) wekte, het hem leek alsof hij net nog stond te praten op zijn gebruikelijke pochende manier. Pas toen hem het bedorven brood werd getoond dat de vrouw van Utnapisjtim had gebakken om de tijd te verdrijven, één voor elke dag, begreep hij dat hij had geslapen, en dat de dood, zoals een droomloze slaap, niet oneindig lang is maar oneindig kort, en dat mensen hun leven slapend verspillen terwijl hun mooie lichamen aftakelen, en vanaf dat moment verviel hij zonder schaamte in zijn oude gewoontes.

© 2009–2021, Martijn Wallage