Eendagsvlieg
en/nl

Als Gilgamesj aan het einde van de wereld aankomt, legt de onsterfelijke Utnapisjtim hem de eindigheid der dingen uit: Een haft (in sommige vertalingen een libelle) zweeft over het water, haar vleugels weerspiegelen even de zon, en dan is er plotseling niets meer.

Deze regels zijn (zoals de vertaler Herman Vanstiphout opmerkt) van een on-Babylonische schoonheid en doen denken aan een haiku. Om precieser te zijn, ze doen denken aan de oude vijver van Bashō, die even opleeft door een in-het-water springende kikker; we zien de kikker niet maar horen alleen een plons.

Dat is een hels kabaal vergeleken bij de haft van Utnapisjtim, die tijdens haar korte bestaan niets anders is dan een twinkeling in de zon. Wordt de haft door een golfje, een zondvloedje, opgeslokt? Hoewel Utnapisjtim ook spreekt van het wassen van de rivieren, lijkt me dat als doodsoorzaak voor een eendagsvlieg wat dubbelop. De eendagsvlieg is er bij de gratie van de zon, en dan is er niets meer, zelfs geen zon.

© 2009–2021, Martijn Wallage